Ik heb iets met Zeeland. Ik kom er niet vandaan – ik schrijf zeg maar met een zachte g – maar ik heb er bijvoorbeeld wel mijn vrouw ontmoet. En wie denkt aan Zeeland denkt aan water. Dat zit de Zeeuwen in hun genen, water. En ook mijn kinderen hebben daar het nodige van meegekregen.
Merel kan uren in bad liggen tot haar vingers zijn verschrompeld tot ‘oma-vingers’ en haar lippen blauw van de kou zijn. En als we haar er dan verkleumd en bibberend uit halen zou ze er bij wijze van spreken het liefst zo weer in duiken.
Het zwembad is ook een grote favoriet. Het viaduct over de snelweg tegenover ons huis wordt door Merel consequent de ‘Zwembadbrug’ genoemd, want over die brug ga je, u voelt hem al aankomen, naar het zwembad. Het liefst zou Merel elke zondag naar het zwembad gaan. Misschien komt het wel omdat ik uit een zeeloze provincie kom, maar zelf deel ik dat enthousiasme niet echt.
Het zwemmen in een zwembad op zich vind ik prima en met mijn kleine meid op de glijbaan vermaak ik me uitstekend, maar dat hele gedoe erom heen, dat hoeft van mij niet zo.
Het begint al wanneer je het zwembad binnenkomt. Je wordt verwelkomt door een een broeierige, kleffe, met chloor doordrenkte lucht die je de adem beneemt. Vervolgens ga je op zoek naar een kleedhokje terwijl je probeert niet te struikelen over rennende kinderen en probeert niet uit te glijden op de natte tegels. Het familiehokje is natuurlijk altijd bezet door iemand die er niet hoort te zitten, dus moet je jezelf als een sardientje in een te klein hokje zien te wurmen. Wanneer je dan eindelijk als een ware Houdini jezelf van je kleren hebt ontdaan (je was al wel zo slim om je zwembroek alvast thuis aan te trekken) probeer je niet je geduld te verliezen omdat je kind van spanning besloten heeft haar oren in Oost-Indië te stallen en niet wil luisteren. Als je bent omgekleed en je je kleren netjes wil op bergen in een kluisje past dat per definitie nooit. Dus komt het erop neer dat je alles maar stevig erin propt en hoopt dat er niets uitvalt voordat je het deurtje dicht hebt gedaan. Het muntje voor het kluisje ben je vergeten uit je broekzak te halen dus moet het deurtje toch weer open (waarbij er dus steevast iets op de natte vloer valt).
Eindelijk in het zwembad moet je eerst nog een berg twaalfjarigen uit het peuterbadje jagen, met het risico de toorn van bijhorende ouders over je af te roepen. En dan zit je eindelijk met je kind in het plaswarme, ietwat troebele water, besluit ze dan nu de tijd is gekomen om jou en de rest van de bezoekers te trakteren op een watertrappel-act waarbij de spetters het plafond raken.
Bij het naar huis gaan herhaalt de geschiedenis zich van voor af aan. Het familiehokje is nog steeds bezet door een moeder die al tien minuten haar haar staat te föhnen. Je kleren uit het kluisje zijn al nat voordat je goed en wel het kleedhokje hebt bereikt. Je kind is van alle inspanning zo moe dat er geen land mee te bezeilen valt en tot overmaat van ramp valt je ondergoed terwijl je je staat af te drogen op de natte vloer.
Maar toch, als je bent thuis gekomen en mama vraagt of het leuk was en je kind zegt met stralende ogen dat ze zo hard van de glijbaan is gegaan met papa en dat dat zo heel erg leuk was, dan smelt je vaderhart en weet je dat de volgende week weer in een krap hokje staat aan te modderen, omdat je je dochter nou eenmaal alle plezier van de wereld gunt.
Deze column is eerder verschenen in ‘Op De Groei’, het periodieke magazine van KindeRdam, het kinderopvangbureau waar Merel en Luuk bij zitten.
Schrijf ook eens wat